nieuws

‘Flexarbeid is geen heilige graal’

Organisatie & Strategie

Als het gaat over flex, gaat het meestal over de contractuele kant van de zaak. Liever richt de discussie zich op ontwikkeling.

‘Flexarbeid is geen heilige graal’

Flex is goed, flex is slecht. Het is goed voor de veerkracht van ondernemingen, slecht voor de ontwikkeling van mensen, goed voor de Nederlandse economie, slecht voor de houdbaarheid van ons sociale stelsel, goed voor de autonomie van individuen, slecht voor het innovatievermogen van organisaties … enzovoort, enzovoort.

Sla een willekeurige krant of het internet erop na, en binnen een uur vind je al deze meningen over flex terug. Allen keurig onderbouwd met steekhoudende argumenten. Aan u om de opinie te kiezen die u het beste schikt, stelt Cristel van de Ven, dagvoorzitter op het Congres Flexibilisering op 24 mei.

Dat de discussie over flexibele arbeid in Nederland volop wordt gevoerd, is logisch. In het laatste kwartaal van 2015 had 60 procent van de werkenden in Nederland een vast contract voor onbepaalde tijd, 23 procent een flexibel contract, 12 procent was zzp’er, en de rest werkte als meewerkend voorman of –vrouw in een piepkleine, eigen onderneming. Zo laat de Flexbarometer zien. Een jaar of tien geleden was het percentage werkenden met een vast contract nog circa 80 procent. Dat is een groot verschil. Nogal wiedes dat flex de gemoederen stevig bezig houdt.

Is flex de heilige graal?

Wat mij opvalt is dat de discussie over flexibilisering zich vooral richt op de arbeidscontractuele kant van de zaak. Krijgen mensen wel of geen vaste baan. Terwijl de behoefte die aan flexibilisering ten grondslag ligt, er vooral eentje van ontwikkeling is. Organisaties willen dynamisch kunnen opereren in een voortdurend veranderende markt. Logisch. Maar is flexarbeid daarvoor de heilige graal? Dat valt te bezien.

TIP: Cristel van de Ven is dagvoorzitter op het Congres Flexibilisering op 24 mei in Houten en geeft de sessie Zit er iets tussen flexibel en vast?

Dynamisch opereren vraagt om duurzaam inzetbare medewerkers. Dat zijn medewerkers die vitaal zijn, die goed presteren, en die blijven leren. Dat kan prima in welke vorm van arbeidsrelatie dan ook. Maar het vraagt wel om een aantal dingen. Uit het Nationaal Onderzoek Duurzame Inzetbaarheid van Vakmedianet (2016) blijkt dat vijf factoren significant bijdragen aan duurzaam inzetbaar personeel. Dat zijn: uitdagend werk, netwerkmogelijkheden, een ontwikkelklimaat, goede gesprekken en maatwerkafspraken over ontwikkeling. Lees meer in het artikel: 5 succesfactoren voor duurzame inzet.

Liever een psychologisch contract

Deze factoren gaan voorbij het transactionele arbeidscontract, waarbij er puur economisch wordt gekeken naar de uitruil tussen loon en arbeid. Nee, deze factoren brengen een ander type contract aan het licht: het psychologische. In zo’n psychologisch arbeidscontract ruilen werkgevers en werknemers ontwikkelkansen versus flexibiliteit met elkaar uit. Ongeacht juridische contractvorm.

Kortom: biedt mensen volop ruimte om te leren en zich te ontwikkelen. Daar krijgt een organisatie mobiele, flexibele medewerkers voor terug, die vaak ook nog een stapje extra zetten dan in hun functiebeschrijving staat. Het aloude adagium It’s the economy, stupid, lijkt mij achterhaald. We zijn toe aan een nieuwe, of op zijn minst aanvullende, kijk op de flex-zaak. It’s the psychology, stupid.

Over de auteur: Cristel van de Ven is eigenaar van adviesbureau Factor Vijf.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels